Stadslogistiek met vrachtwagens en bestelauto's gaat gepaard met CO2-emissie, luchtvervuiling en neemt schaarse ruimte in. De Rijksoverheid, gemeenten en logistieke sector werken aan het verminderen van deze negatieve gevolgen, onder meer door de elektrificatie van het vervoer te stimuleren. Stadshubs met lichte elektrische vrachtvoertuigen (LEVV's), zoals vrachtfietsen of compacte distributiewagens, zijn daarin meestal niet effectiever dan elektrische bestelauto's. Dat blijkt uit de studie 'Stadslogistiek en hubs' door het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM). Het KiM ziet geen aanvullende rol voor de Rijksoverheid om stadshubs met LEVV's te stimuleren.
Draagt de stadslogistiek via stadshubs – overslagpunten in of aan de rand van de binnenstad – en LEVV's bij aan het bereiken van beleidsdoelen zoals schonere lucht? Om dit te bepalen onderzocht het KiM de samenhang tussen verschillende aspecten van stadslogistiek. De wisselwerking tussen de stadslogistieke uitvoering, het type goederen of dienst en bedrijfseconomische en maatschappelijke effecten is weergegeven in het schema onderaan dit bericht. Net als andere factoren uit de omgeving of logistieke sector, de context. Zo is te zien dat CO2-emissie en ruimtegebruik samenhangen met onder andere het type voertuig en de afstand die het voertuig rijdt in de stad, wat weer afhangt van het volume en type goederen. Ook de context bepaalt de uitvoering, zoals de bebouwing in de stad en huidige contracten tussen leveranciers en ondernemers.
In bijvoorbeeld hoogstedelijke, historische stadscentra kunnen LEVV's door hun kleinere formaat en elektrische aandrijving een positieve bijdrage leveren, bijvoorbeeld doordat ze weinig schade aan de infrastructuur veroorzaken.
Stadshubs met LEVV's
Bundeling van goederen kan de stadslogistiek efficiënter maken. Stadshubs met LEVV's zijn echter bedrijfsmatig meestal niet op zichzelf levensvatbaar. Om deze hubs rendabel uit te voeren is een groot volume aan goederen nodig, zodat efficiënte routes gereden kunnen worden. Vrachtfietsen zijn goedkoper dan bestelauto's door lagere afschrijvings- en brandstofkosten. Ze kunnen echter minder vervoeren, en hebben een kleinere actieradius. Wanneer hierdoor meer dan 1,5 keer zoveel vrachtfietsen nodig zijn om dezelfde goederen te vervoeren, kunnen de totale kosten hoger uitkomen. Bovendien kent de stadslogistiek kleine bedrijven met een klein investeringsvermogen, terwijl er grote aanpassingen in de ketens nodig zijn om hubs kosteneffectief in te passen.
Geen aanvullende rol voor de Rijksoverheid
De Rijksoverheid is al betrokken bij de stadslogistiek via verschillende convenanten zoals de Uitvoeringsagenda Zero-Emissiezones en faciliteert zij deze door landelijk eenduidige regelgeving te ontwikkelen voor zero-emissiezones (ZE-zones). Ook neemt zij beleidsmaatregelen, bijvoorbeeld om de aanschaf van elektrische bedrijfsvoertuigen financieel aantrekkelijk te maken.
Deze verkenning geeft geen aanleiding voor het herzien van de rol van de Rijksoverheid. Dat komt door zowel het huidige regulerende beleid als de beperkte bijdrage van stadshubs en LEVV's aan maatschappelijke doelen. Mogelijk hebben lokale overheden andere redenen om het gebruik van stadshubs en LEVV's te stimuleren. Zij kunnen ervoor kiezen om het gebruik van stadshubs en LEVV's te stimuleren, bijvoorbeeld omdat ze het grotere vrachtverkeer uit hoogstedelijke, historische of autoluwe gebieden willen weren.
Samenhang tussen verschillende aspecten van stadslogistiek