In hoeverre is het principe van de 'gebruiker of vervuiler betaalt' van toepassing op de gebruiker van diverse vervoermiddelen? Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KIM) heeft hier onderzoek naar gedaan. Uit dit onderzoek blijkt dat de meeste reizigers minder belastingen, zoals btw, accijnzen en motorrijtuigenbelastingen, betalen dan de zogeheten externe kosten en kosten voor de infrastructuur. De belangrijkste uitzondering hierop zijn fietsers. 

Beeld: © ANP

Mobiliteit heeft nadelige effecten, zoals luchtvervuiling, verkeersongevallen, geluidshinder en klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen. Deze effecten kunnen we in geld uitdrukken, en dan zijn het externe kosten. Ook maakt de overheid kosten voor de aanleg en het onderhoud van fietspaden, wegen en spoor. Dat zijn de infrastructuurkosten. Het KiM heeft onderzocht in welke mate deze externe en infrastructuurkosten al in de prijs van een reis zitten verwerkt. Hiervoor werden de huidige belastingen, heffingen en subsidies van de overheid vergeleken met de externe en infrastructuurkosten van personenmobiliteit voor 9 binnenlandse voorbeeldreizen.  

Verschillen tussen reizen en vervoermiddelen

Voor korte reizen in de stad heeft de fiets de laagste externe en infrastructuurkosten en de bromfiets juist de hoogste. Voor langere reizen is het afhankelijk van de reis welk vervoermiddel de laagste kosten heeft. Als de trein een directe route rijdt is het de optie met de laagste kosten. Als er een grote omweg nodig is met de trein, of als iemand veel met de bus moet reizen van en naar een station, dan heeft de elektrische auto de laagste externe en infrastructuurkosten. 

Het verschil in externe en infrastructuurkosten tussen fossiele auto's en elektrische auto's is relatief klein. Dat komt doordat luchtvervuiling en CO2-uitstoot maar een deel van de totale kosten uitmaken. Verkeersongevallen spelen bijvoorbeeld een grotere rol. Bij korte ritten in de stad zijn de externe en infrastructuurkosten van een elektrische auto ongeveer 5 tot 10% lager dan die van een dieselauto. Bij lange ritten op de snelweg loopt dit verschil op tot 15 à 20%. Dit gaat alleen over kosten die samenhangen met het gebruik van de auto. 

Vergelijking externe en infrastructuurkosten en overheidsinkomsten

Uit de KiM-studie blijkt verder dat de externe en infrastructuurkosten bijna altijd hoger zijn dan wat de overheid via belastingen en heffingen binnenkrijgt. Alleen bij de gewone, niet-elektrische, fiets is dat anders. Fietsen levert namelijk gezondheidsvoordelen op die groter zijn dan de kosten voor de aanleg en onderhoud van fietspaden en de kosten van verkeersongevallen.

Daarnaast zijn de overheidsinkomsten van benzine- en dieselauto's voor langere reizen over de snelweg soms vergelijkbaar met hun externe en infrastructuurkosten. Dit hangt af van welke infrastructuurkosten en overheidskosten worden meegenomen in de vergelijking. Voor de korte en middellange autoreizen zijn de overheidsinkomsten altijd lager dan de externe en infrastructuurkosten.

Ondanks dat de bromfiets relatief hoge externe en infrastructuurkosten heeft, betaal je voor een bromfiets relatief weinig belasting. Ook de bezitter van een elektrische auto betaalde in 2025 minder belasting dan een bezitter van een benzineauto, waardoor de verhouding tussen overheidsinkomsten en externe en infrastructuurkosten lager uitkomt dan voor de fossiele brandstofauto's.