Weblog

Blog: De remmende rol van het rijwiel

De laatste tijd verschijnen er steeds meer berichten over groeiende ongelijkheid. Het startsein was de bestseller Capital in the 21st century van de Franse econoom Thomas Piketty, die er op wijst dat in veel westerse landen de welvaart van de rijksten toeneemt ten koste van de rest. Maar niet alleen in welvaart is er sprake van een groeiende kloof, ook in sociaal-cultureel opzicht blijken de verschillen tussen lager- en hogeropgeleiden en tussen jong en oud steeds verder toe te nemen.

Denk daarbij aan tegengestelde opvattingen over migranten en Europa en grote verschillen in vertrouwen in de overheid. Maar ook ten aanzien van mediagebruik, sociale contacten en smaakvoorkeuren is er in toenemende mate sprake van ‘gescheiden werelden’.

Mobiliteitssegregatie

Deze groter wordende ongelijkheid op allerlei vlakken kan uiteraard gevolgen hebben voor de mobiliteit. In een recent gepubliceerd artikel spreekt het KiM in dit verband over mobiliteitssegregatie. Dit gaat verder dan verschillen in termen van “meer” of “minder” mobiliteit. Immers, waar bij welvaart, opleiding of gezondheid “meer” meestal gelijk staat aan “beter”, ligt dit bij mobiliteit gecompliceerder.

Reden is dat naast de kwantiteit en kwaliteit van vervoersmogelijkheden ook de kwantiteit en kwaliteit van voorzieningen op verschillende bestemmingen een rol speelt. Mensen die in het centrum wonen van een grote stad hebben binnen korte afstand immers veel meer winkels en uitgaansgelegenheden tot de beschikking dan mensen die in een klein dorp wonen op het platteland.

Mede daarom kan je ook niet zomaar zeggen dat mensen die meer of verder reizen, per definitie beter of slechter af zijn. ‘Mobiliteitssegregatie’ gaat dus over de verschillen in bestemmings- en verplaatsingsmogelijkheden tussen groepen en gebieden.

De fiets als rem op armoede

In Nederland lijkt de mobiliteitssegregatie in belangrijke mate te worden beperkt door de nivellerende rol van de fiets: zelfs als een dorp geen supermarkt of slagerij heeft, is er bijna altijd wel één binnen ‘befietsbare’ afstand te vinden.

Nederland is in termen van zowel bezit als gebruik een echt fietsland: er zijn 22 miljoen fietsen en ruim 25% van alle verplaatsingen wordt op de fiets gemaakt. Maar misschien heeft Nederland Fietsland ook een keerzijde. Een internationaal vergelijkend onderzoek uit de jaren negentig wijst erop dat juist (mede) door het vele fietsen alternatieven zoals bus, tram en metro in Nederlandse steden minder goed ontwikkeld zijn dan in andere landen.

Dit klinkt ook best plausibel. Fietsinfrastructuur kost immers geld dat niet in het lokale openbaar vervoer gestoken kan worden, en ook hebben bus, tram en metro door de vele fietsers minder passagiers en daardoor minder inkomsten.

Allochtonen fietsen weinig

Daarmee  zou de nivellerende rol van de fiets wel eens kunnen spaaklopen. Er zijn namelijk ook Nederlanders die geen fiets hebben of hier maar nauwelijks gebruik van maken. Een goed voorbeeld zijn niet-westerse allochtonen, die weinig fietsen en vaker zijn aangewezen op bus, tram en metro of verplaatsingen te voet. Dit heeft deels te maken met cultureel bepaalde voorkeuren en behoeften: de fiets heeft bij hen een slecht imago en wordt veelal geassocieerd met een gevoel van verkeersonveiligheid. Juist deze niet fietsende groep mensen heeft ook nog eens minder vaak de beschikking over een auto of zelfs een rijbewijs, en is dus vaker aangewezen op juist die voorzieningen die door het hoge fietsgebruik minder ontwikkeld zijn (bus, tram en metro).

Voer voor nader onderzoek

We denken dus dat in Nederland de ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen en gebieden dankzij de fiets minder groot is dan in andere landen. Maar klopt die hypothese ook? En hoe zit het met het risico dat de fiets tegelijkertijd de mobiliteitssegregatie bij één specifieke groep, de niet-westerse allochtonen juist versterkt? En wat betekent dit alles voor de ongelijkheid waarover Piketty spreekt? Voer voor nader onderzoek!