Weblog

Blog: Eens een deler, altijd een deler?

Een autobezitter gebruikt zijn auto maar een klein deel van de dag. Wat gebeurt er in de overige tijd met de auto? Wordt hij uitgeleend aan familieleden, kennissen of buurtgenoten? We zouden dit informeel autodelen kunnen noemen: autodelen zonder het commerciële oogmerk van bedrijven als GreenWheels, Car2Go of SnappCar. En kan informeel autodelen een opstap zijn om (ook) dergelijke commerciële deelautodiensten te gaan gebruiken? Uit het oogpunt van duurzaamheid, ruimtegebruik en stedelijke bereikbaarheid zou dat gunstig kunnen zijn.

Geen autobezit, wel auto beschikbaar

In 2016 telde Nederland 7,2 miljoen personenauto’s in particulier bezit. Bijna de helft van alle huishoudens bezit één auto en bijna een kwart heeft twee of meer auto’s. Huishoudens zonder auto zijn voornamelijk te vinden in de grootstedelijke gebieden in Nederland. Hier heeft bijna 50 procent van de huishoudens geen auto. Op het platteland geldt dat maar voor 4 procent van de huishoudens (OViN 2015). Echter, ook als je zelf geen auto bezit kun je mogelijk  wel over een auto beschikken. Hiermee bedoel ik dat je toegang hebt tot een auto van een familielid, vriend en/of buren en die ook kan gebruiken.

Auto (uit)lenen = informeel autodelen

Het KiM heeft een studie laten uitvoeren naar de relatie tussen autobezit, het informeel delen van auto’s met gezinsleden, buren en vrienden en het autogebruik. Er zijn data gebruikt uit het Mobiliteitspanel Nederland (MPN). Hierin staan gegevens over verplaatsingsgedrag van circa 2000 huishoudens en 4000 personen die representatief zijn voor de Nederlandse bevolking.

Informeel autodelen is vooral in trek bij jongeren

Uit de analyses met het MPN  blijkt dat 18 procent van de Nederlandse bevolking met een rijbewijs wel eens een auto deelt met andere personen binnen het huishouden en dat 6 procent soms een auto deelt met buren of vrienden. Het informeel autodelen komt het meeste voor bij jongvolwassenen (18-32 jaar). Bijna 25 procent van hen deelt de auto binnen het huishouden, terwijl 17 procent de auto met buren of vrienden deelt. Met name jongvolwassenen onder de 25 jaar met een rijbewijs hebben een laag autobezit, maar hebben wel in belangrijke mate toegang tot een auto van iemand anders en daarmee een relatief hoog niveau van autobeschikbaarheid; dat varieert van 30 tot 50 procent (zie de grafiek). 

Naarmate jongeren ouder worden neemt hun autobezit ook toe. Slechts 5 procent van de 18-jarigen bezit een auto, terwijl dat bij 32-jarigen al bijna 70 procent is. De beschikbaarheid van een informeel gedeelde auto neemt gestaag af met toenemend autobezit.

Informele autodelers zijn minder gehecht aan hun auto

Autobezitters die hun auto informeel delen, blijken hun auto minder vaak zelf gebruiken dan degenen die hun auto nooit delen. Personen die hun auto delen binnen het gezin, reizen significant vaker met het openbaar vervoer en de fiets. Zij maken wel meer autoverplaatsingen voor werk- en winkelgerelateerde activiteiten, maar minder voor vrijetijdsdoeleinden dan degenen die hun auto nooit uitlenen. Attitudes ten aanzien van de auto spelen een voorname rol in het deelgedrag. Zo blijken mensen die hun auto delen veel minder dan gemiddeld gehecht te zijn aan hun auto. De gehechtheid is zelfs nog lager voor hen die de auto delen met personen buiten het huishouden. Andere attitudes die bepalend zijn voor deelgedrag: perceptie van de kosten van de auto en het gevoel van (on)afhankelijkheid.

Betekenis voor commercieel autodelen?

De resultaten van de studie roepen de vraag op of informeel autodelen kansen biedt voor het commercieel autodelen in Nederland. Kan dit zijn marktpotentieel aan de vraagkant (zij die een auto gebruiken) hetzij aan de aanbodkant (zij die een auto aanbieden) vergroten? Bijvoorbeeld zijn jongeren die vaak een auto lenen van Pa of Ma, over te halen een deelauto als onderdeel van hun totale verplaatsingsgedrag te blijven gebruiken en autobezit uit te stellen of zelfs af te stellen?

Dat valt nog te bezien. Het CBS meldde in 2013 dat het autobezit onder jongvolwassenen daalt: in 2010 bezat 21 procent van 18-25 jarigen een auto, in 2015 was dat 18 procent. Maar geen autobezit betekent niet dat jongeren ook minder waarde hechten aan autobezit en de deelauto een volwaardig alternatief is. De attitude ten aanzien van de auto is iets anders dan autobezit. Bovendien wonen veel jongeren in stedelijke gebieden, studeren nog, en hebben een laag inkomen. Ze schaffen dus niet direct een auto aan en dan zijn het openbaar vervoer, de fiets en eventueel de deelauto de beste optie om zich in de stad te verplaatsen. Uit onderzoek weten we dat jongeren naarmate zij ouder worden toch een auto aanschaffen. Dat heeft te maken met de transitie naar een andere levensfase.

Potentie het grootst in de steden

Het gebruik van de commerciële deelauto is in de stedelijke gebieden het grootst. Daar ligt ook de grootste potentie voor de groei van de commerciële autodeelmarkt en vanuit het oogpunt van duurzaamheid, ruimtegebruik en stedelijke bereikbaarheid een uitdaging voor gemeentelijk vervoerbeleid om daarop te sturen. Wellicht langs de weg van imago- en bewustwordingscampagnes, waarin de positieve kanten van autodelen worden benadrukt.

Minder aan de auto gehecht: kans voor autodelen?

En dan de aanbodkant: zijn mensen die hun auto vaker delen met gezinsleden, familie en of vrienden, en dus minder gehecht zijn aan hun auto, ook eerder bereid om op de commerciële deelautomarkt hun auto aan te bieden? Ik zou het niet weten. Een mooie onderzoeksvraag, die momenteel door een stagiair bij het KiM wordt opgepakt.