Weblog

Ik was een wel heel erg gewone zakelijke vliegreiziger

Ruim 25 jaar geleden ging ik als jonge projectonderzoeker aan de slag bij de Vrije Universiteit (VU). Al gauw werkte ik mee aan een aantal Europese onderzoeksprojecten en dat betekende: veel reizen! In no time vloog ik gemiddeld minstens 1 keer per maand voor een overleg, seminar of conferentie. Ik hoorde zo bij de 0,6% van de Nederlandse bevolking die 60% van alle zakelijke vluchten maakt.

©ANP-Hollandse Hoogte

Ik als zakelijke vlieger

De Europese Unie wilde met deze projecten de kennisuitwisseling en samenwerking tussen onderzoeksinstellingen stimuleren. En de VU wilde graag via papers de wetenschappelijke output vergroten – en deze mocht ik als 'beloning' op buitenlandse congressen presenteren. De aandacht voor de effecten van vliegen op klimaat, leefomgeving en milieu was in die tijd duidelijk minder groot.

Als jonge, hoogopgeleide man die op 25 kilometer van Schiphol woonde en werkte, genoot ik hier volop van. Het leverde me een uitgebreid netwerk aan contacten op, de meerdaagse overleggen en seminars waren meer dan gezellig. Ook vloog ik veel naar steden als Rome, Londen, Barcelona en Athene – ideaal om er een paar dagen vrije tijd aan vast te koppelen. Destijds werd dat ook gestimuleerd door het ticketprijsbeleid: als er een zaterdagnacht in het verblijf zat was een ticket heel veel goedkoper. En congresbestemmingen als Toscane, de Algarve of Griekse eilanden leenden zich uitstekend voor een langere vakantie. Partner of vrienden kwamen daar graag voor over.

En de trein: ja, die nam ik graag als er een goede verbinding was. Dat gold voor nachttreinen naar Duitsland, en uiteraard de trein naar Brussel. Maar verder: voor heel veel bestemmingen was het vliegtuig de enige serieuze optie. Helemaal omdat de Thalys en Duitse ICE treinen toen nog niet reden. 

Kenmerken van de zakelijke vliegreiziger

Een kwart eeuw later voer ik als KiM’er een onderzoek uit naar de zakelijke vliegreiziger. En wat blijkt: ik was destijds een wel heel erg gemiddelde zakelijke vliegreiziger.

Zo is nu tweederde van de zakelijke vliegers man en bovengemiddeld vaak hoogopgeleid, woont in een sterk verstedelijkt gebied, en dichtbij Schiphol. Het overgrote deel van de zakelijke bestemmingen is binnen Europa, dat gold 25 jaar geleden zeker ook voor mij. En evenals 70% van de zakelijke reizigers nu, vloog ook ik toentertijd alleen economy class. En ja, in die tijd was ik alleenstaand, en nog steeds vliegen alleenstaanden gemiddeld het vaakst. En ook ik had een voorkeur voor de trein – maar ja, wel alleen als het een aantrekkelijk alternatief was.

Dat mogelijk de helft van de laatst gemaakte zakelijke reizen ook deels een privé-karakter heeft? Tsja, ook daarop waren mijn reizen destijds geen uitzondering. En inderdaad, bij 35% van deze reizen vliegt een vriend of familie mee, net zoals bij mij regelmatig het geval was.

Televergaderen

Tijdens de coronapandemie heb ik niet zakelijk gevlogen – en toch alweer één keer voor vakantie. Ook daarmee volg ik de trend: het niet-zakelijk verkeer groeit na de pandemie sneller dan het zakelijk verkeer. En televergaderen? Dat bestond vroeger nog niet – wel waren we als universiteit voorloper met de e-mail. Dit leidde tot een sterk verbeterde communicatie met buitenlandse partners en opdrachtgevers. Ik heb niet de indruk dat dit tot minder zakelijk vliegen leidde: door de e-mail werd het veel makkelijker om af te spreken en reizen te boeken. Zoals het onderzoek aangeeft zou op termijn hetzelfde voor televergaderen kunnen gelden.

Al met al: na 25 jaar kom ik erachter dat ik vroeger als zakelijke vlieger wel heel erg gewoon was. Maar het was een mooie, leerzame en gezellige tijd.