De invloed van het weer op personenmobiliteit

Van alle vervoerwijzen is de fietser het meest gevoelig voor het weer, zo blijkt uit een literatuuronderzoek van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM). Uitwisseling tussen vervoerwijzen door veranderende weersomstandigheden gebeurt vooral tussen auto en fiets. De invloed van het weer op mobiliteit verschilt tussen stedelijk en landelijk gebied, tussen leeftijdsgroepen, en tussen verplaatsingsmotieven.

Fietsen en wind

Stad en platteland

Het effect van het weer op de personenmobiliteit verschilt tussen stad en platteland, zo staat in het KiM-onderzoek. Regen, een verandering van temperatuur, en zonneschijn hebben in de stad bijvoorbeeld minder invloed op het gebruik van de fiets dan in de landelijke gebieden. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat bebouwing meer beschutting biedt tegen regen en schaduwplekken bij zonneschijn. Daarentegen heeft wind in de stedelijke gebieden een sterker negatief effect op het fietsen.

Reismotief en leeftijd

Daarnaast is het effect van het weer op de personenmobiliteit afhankelijk van het reismotief. Mensen die naar werk of school moeten laten zich minder beïnvloeden door het weer, dan mensen die onderweg zijn om te winkelen, te recreëren of voor een bezoek aan familie of vrienden. Tenslotte zijn er verschillen tussen leeftijdsgroepen. Ouderen (> 65 jaar) reizen minder en niet-ouderen juist meer bij hoge temperaturen. Regen en sneeuw hebben een sterker negatief effect op het aantal reizen per dag van ouderen dan op dat van niet-ouderen.

Extreem weer en klimaatverandering

Het KiM voerde het onderzoek uit op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Het betreft een literatuurstudie. Kennis over de invloed van het weer op de personenmobiliteit is relevant voor mobiliteitsbeleid omdat extreem weer vaker optreedt en klimaatverandering op langere termijn kan leiden tot een verandering van weerspatronen. Op bepaalde plekken in het mobiliteitssysteem kan daardoor de capaciteit (extra) onder druk komen te staan, terwijl capaciteit op andere plekken mogelijk onderbenut blijft.