Dit thema bevat ramingen voor de ontwikkeling van de binnenlandse personenmobiliteit, de luchtvaart en het goederenvervoer. Het gaat daarbij om ramingen voor het lopende jaar (2026) en de middellange termijn (5 jaar vooruit, 2031). We hebben dus geen langetermijnramingen gemaakt, zoals wel gebeurt in de referentieprognoses (Rijkswaterstaat 2025) of de integrale mobiliteitsanalyse (IMA).
Toekomstonzekerheden in 3 scenario's
- De toekomst is onzeker: die onzekerheid is relevant voor beleid en politiek. Daarom maken we een deel van de onzekerheid expliciet in de vorm van aannames in 3 scenario’s: het ‘basis-scenario’, het ‘minder-scenario’ en het ‘meer-scenario’. De scenario’s houden rekening met onzekerheden zoals economische en demografische ontwikkelingen en onzekerheden ten aanzien van de aangeboden dienstregelingen en tarieven in het openbaar vervoer (ov).
- De meer- en minder-scenario’s zijn zo opgesteld dat ze op basis van de onzekerheden waarmee we rekening houden als 2 ‘extremen’ kunnen worden gezien. In het meer-scenario worden alle onzekerheden gestapeld die leiden tot meer groei van de mobiliteit. Een hoge bevolkingstoename wordt bijvoorbeeld gekoppeld aan een grote economische groei en een betere dienstregeling in het ov. De aannames die leiden tot minder groei van de mobiliteit zijn gegroepeerd in het minder-scenario.
- We gebruiken de 3 scenario’s om het auto- en ov-gebruik te ramen. Voor de fiets (inclusief e-fiets), het goederenvervoer en de luchtvaart presenteren we alleen een basis-scenario.1
- Tabel 2 vat de uitgangspunten samen. In het uitklap-accordeon hieronder wordt in meer detail ingegaan op de verschillende uitgangspunten en geven we aan hoe we rekening houden met onzekerheden.
Tabel 2 Overzicht van de uitgangspunten in de 3 scenario's voor 2031
|
Onderwerp |
|
Bron |
Minder-scenario |
Basis-scenario |
Meer-scenario |
|
Omgevings-zekerheid |
Bevolking |
CBS |
Prognose met 16,7% kans dat de ontwikkeling hieronder ligt |
CBS-trendprognose bevolking 2024-2070 |
Prognose met 16,7% kans dat de ontwikkeling hierboven ligt |
|
Studenten-kaarthouders |
OCW |
Minder-scenario raming aantal studenten |
Referentieraming ontwikkeling aantal studentenkaarthouders |
Meer-scenario raming aantal studenten | |
|
Economie |
CEP26 en cMEV27, CPB |
Lager dan basispad met de helft van bandbreedte WLO 2025 |
Basispad CEP26 en cMEV27 |
Hoger dan basispad met de helft van bandbreedte WLO 2025 | |
|
Vervoer-capaciteit |
Wegverkeer |
MIRT2026 |
Uitgangspunten uit MIRT2026, inclusief aangekondigde vertragingen | ||
|
Aanbod trein |
KiM & ProRail |
Dienstregeling 2029 |
Dienstregeling 2030 |
Dienstregeling 2031 inclusief dalverdichting | |
|
Aanbod btm |
KiM & ProRail |
Dienstregeling 2023, -8,5% voor bus en tram in VRA en MRDH |
Dienstregeling 2025, -8,5% voor bus en tram in VRA en MRDH |
Dienstregeling 2025 | |
|
Kosten |
Autokosten |
KiM & PBL |
7,5% hogere fossiele brandstofprijzen t.o.v. de KEV, minder elektrische voertuigen, en hogere laadtarieven |
Volgens de KEV | |
|
Tarieven trein |
KiM & ProRail |
Voor alle scenario’s is de reële tariefstijging 3,03% ten opzichte van 2026, overeenkomstig wijziging van hoofdrailnetconcessie (Min IenW, 2025a) | |||
|
Tarieven btm |
KiM & ProRail |
+8,75% reële tariefstijging in VRA en MRDH, 2% tariefdaling daarbuiten |
+8,75% reële tariefstijging in VRA en MRDH, 2% tariefdaling daarbuiten |
2% tariefdaling | |
We gaan in onze ramingen uit van vastgesteld beleid. Omdat de modelberekeningen tijd kosten, is het niet mogelijk het meest recente vastgestelde beleid mee te nemen. Wij hebben de ramingen gemaakt met het vastgestelde beleid van juni 2026. Dit betekent dat bijvoorbeeld nieuw beleid dat op Prinsjesdag 2026 is aangekondigd niet is meegenomen in deze ramingen – tenzij dit beleid geen gevolgen had voor onze ramingshorizon. We hebben de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- Voor het wegennetwerk gaan we uit van het MIRT Overzicht 2026 (IenW, 2025c).
- We gaan er van uit dat de korting op de brandstofaccijns die op 1 april 2022 is ingevoerd, in 2 stappen verdwijnt. De eerste stap is al genomen op 1 juli 2023, toen de helft van de accijnskorting werd teruggedraaid. Tijdens Prinsjesdag 2026 is aangekondigd dat het kabinet de resterende accijnsverlaging op benzine en diesel met 1 jaar wil verlengen tot 1 januari 2028, met een gefaseerde afbouw in 2028 (FIN, 2026, p. 49). Voor lpg loopt de accijnskorting officieel af op 31 december 2026. We hadden voor de prognoses al aangenomen dat de resterende accijnsverlaging voor benzine en diesel wordt teruggedraaid voorafgaand aan het zichtjaar 2031, wat overeenkomt met de meest recente inzichten.
- In kader 5.1 ‘Tarieven en dienstregeling in het openbaar vervoer’ leggen we uit wat we aannemen voor de ov-tarieven en -dienstregeling. In het kort:
- We nemen aan dat de tarieven van de NS tussen 2026 en 2031 met ongeveer 3% toenemen, boven op de inflatie in deze periode.
- We nemen aan dat de tarieven in het regionale ov tussen 2026 en 2031 reëel constant zijn, en dus alleen meestijgen met de inflatie. Een belangrijke uitzondering hierop vormen de Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. In het basis- en minder-scenario nemen we aan dat in deze vervoerregio’s de tarieven stijgen met 8,75% en dat de dienstregeling voor de bus en tram er verslechtert met 8,5%. Deze tariefstijging en verslechtering van de dienstregeling zijn het gevolg van de korting op de Brede Doeluitkering (BDU). In Kader 5.1 komen we hier uitgebreid op terug.
- Voor de luchtvaart is rekening gehouden met een plafond op het aantal vluchten vanaf de verschillende luchthavens.2
- Verder is er sprake van de introductie van een afstandsafhankelijke vliegbelasting in 2027. Tijdens Prinsjesdag 2026 is aangekondigd dat het kabinet voornemens is om het tarief voor lange vluchten te verlagen (FIN, 2026, p. 49). In de ramingen zijn we uitgegaan van de eerder vastgestelde tarieven.
- Het kabinet is voornemens om de luchthaven Lelystad te openen per oktober 2027 voor een maximum van 10.000 commerciële vluchten per jaar (Rijksoverheid, 2026). Voordat dit mogelijk is, moeten er nog enkele procedures doorlopen worden. Gezien de nog te nemen stappen en het relatief kleine effect op de landelijke ramingen, nemen wij in onze ramingen aan dat de luchthaven Lelystad niet open is.
We houden in de scenario’s rekening met de volgende verwachte sociaaleconomische ontwikkelingen op middellange termijn.
- Bevolking: Voor de toekomstige ontwikkeling van de bevolking maken we gebruik van de trendprognose voor de bevolking die het CBS in december 2025 heeft gepubliceerd (CBS, 2025). In de basisraming is de verwachting dat de bevolking tussen 2025 en 2031 met 2,7% toeneemt. In het minder-scenario is de toename 1,5% en in het meer-scenario 3,7%.
- Studenten: Voor de verwachting over het ov-gebruik is de ontwikkeling van het aantal studenten van belang. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) maakt jaarlijks een referentieraming van de toekomstige ontwikkeling van het aantal studenten per opleidingstype en andere kenmerken.
- Naast een trendprognose voor de jaren 2026-2040 zijn er ook een meer- en een minder-scenario, waarvan wij de bandbreedte gebruiken in onze prognoses (OCW, 2026). Voor het ov-gebruik zijn vooral de aantallen studenten in het wetenschappelijk onderwijs (wo), het hoger beroepsonderwijs (hbo) en de richting beroepsopleidende leerweg van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo-bol) met een studentenreisproduct van belang.
- In het basis-scenario neemt het aantal studentenkaarthouders tussen 2025 en 2031 met 3,5% af. In het minder-scenario is die afname 9,9%. In het meer-scenario is sprake van een groei met 2,5%.
- Economische ontwikkeling: Voor de economische ontwikkeling maken we gebruik van het Centraal Economisch Plan 2026 (CEP26) en de concept-Macro Economische Verkenning 2027 (cMEV27) van het CPB (CPB, 2026a; CPB, 2026b), met de economische ontwikkeling van Nederland in de komende jaren.3 We maken gebruik van ramingen van het bbp, het inkomen, de koopkracht en de werkgelegenheid. Dit geeft ons een economisch basispad. Voor de jaren 2026-2031 nemen we voor de jaarlijkse bbp-groei een bandbreedte aan die rond dit basispad ligt: in het minder-scenario gaan we uit van een iets lagere en in het meer-scenario van een iets hogere groei van het bbp, het inkomen en de werkgelegenheid dan in het basis-scenario uit de cMEV27. We gebruiken hiervoor het verschil in groei tussen de scenario’s WLO Hoog-Snel en WLO Laag-Vertraagd in de periode 2018-2040 (PBL, 2025). Voor de bbp-groei geeft dit een bandbreedte van 1,6%-punt. In het minder-scenario verlagen we de jaarlijkse bbp-groei in 2026-2031 elk jaar met 0,8%-punt; in het meer-scenario verhogen we de groei elk jaar met 0,8%-punt. Tussen 2025 en 2031 neemt het bbp met 7,2% toe in het basis-scenario, met 2,2% in het minder-scenario en met 12,4% in het meer-scenario.
- Wagenpark en gebruikskosten: hiervoor maken we gebruik van de uitkomsten van het wagenparkmodel SPARK. We gaan in het minder-scenario uit van minder volledig elektrische auto’s en plug-inhybrides, hogere fossiele brandstofkosten en een hoger aandeel straatladen voor volledig elektrische auto’s, waardoor de kosten van het gebruik van elektrische auto’s hoger zijn.
- In het basis en meer-scenario gaan we uit van een toename van het aandeel volledig elektrische auto’s van 7,4% in 2025 naar 20,3% in 2031 en een toename van het aantal plug-inhybrides van 2,9% naar 9,9% in dezelfde tijdsperiode. In het minder-scenario gaan we uit van een aandeel van 19,8% volledig elektrische auto’s en 9,4% plug-inhybrides.
-
- We gaan uit van een reële stijging van de gemiddelde brandstofkosten in 2031 van 17,9% ten opzichte van 2025 in het basis en meer-scenario. In het minder-scenario gaan we uit van een stijging van de gemiddelde brandstofkosten van 31,7%. Bij het interpreteren van deze stijgingen moet worden aangetekend dat de brandstofprijzen in 2025 in reële termen relatief laag waren. De gemiddelde brandstofprijzen in Q1 en Q2 in 2026, bijvoorbeeld, lagen 14,4% boven de gemiddelde prijs in 2025.
- De stijging van de brandstofprijzen hangt samen met hogere fossiele brandstofkosten en de invoering van het Europese emissiehandelssysteem (ETS2) voor huishoudens en andere brandstofverbruikers, zoals wegverkeer, die niet onder het bestaande Europese emissiehandelssysteem ETS1 vallen.
- Wegverkeer: We gebruiken hiervoor de uitgangspunten uit het MIRT-overzicht 2026. Dit betekent dat we ervan uit gaan dat de volgende projecten in 2031 zijn gerealiseerd:
- A1/A6/A9 Schiphol-Amsterdam-Almere A9 Badhoevedorp-Holendrecht
- A27 Houten-Hooipolder
- A1/A6/A9 Schiphol-Amsterdam-Almere A9 wisselbaan (Gaasperdammerweg)
- A9 aansluiting Heiloo
- A67/A73 knooppunt Zaarderheiken
- A2 Het Vonderen – Kerensheide
- Aanpassing knooppunt Beekbergen
- N57 verleggen en ombouw rotondes
- N50 Kampen-Kampen-Zuid
- Project Guisweg, A8 Aansluiting 3
- Vervangen Balgzandbrug
- Westelijke aansluiting A4 N468 Vri
- Zuidwestboog A1/A30 knooppunt Barneveld
We gaan ervanuit dat er voor zowel het basisjaar als het prognosejaar geen grote gebruiksbeperkingen op dit netwerk plaatsvinden. Er is dus geen rekening gehouden met infrastructurele beperkingen als gevolg van de instandhoudingsopgave, zoals het huidige vrachtwagenverbod op de Merwedebrug.
- Ov: We maken de volgende aannames over het ov-aanbod:
- Voor de trein gaan we in het minder-scenario uit van de dienstregeling die staat ingepland voor 2029. Deze dienstregeling is vrijwel hetzelfde als de dienstregeling van 2025, maar kent de volgende wijzigingen:
- Elektrificatie Almelo – Mariënberg inclusief frequentie uitbreiding (van 1 naar 2 keer per uur)
- 6e trein op de HSL
- Verbeterde verbinding Sprinter Zeeland
- Driver Controlled Operation (DCO)4 Zwolle – Groningen
- Bediening Middelsee inclusief DCO Lelystad – Leeuwarden
Voor het basis-scenario is uitgegaan van de geplande dienstregeling 2030. Ten opzichte van de dienstregeling 2029 (minder-scenario) omvat dit de volgende productstappen:
-
- DCO Arnhem – Tilburg – Dordrecht
- DCO Dordrecht – Roosendaal
- DCO Roosendaal – Vlissingen
- Gewijzigde tijdsligging IC Nijmegen – Roosendaal en Roosendaal – Vlissingen
- DCO Den Haag – Dordrecht
- DCO Den Haag/Leiden – Utrecht – ’s Hertogenbosch/Tiel
- 3e en 4e sprinter Woerden – Leiden in dagdal
- 3e IC Lelystad – Groningen
Voor het meer-scenario gaan we uit van de geplande dienstregeling voor 2031, inclusief dalverdichting. Ten opzichte van de dienstregeling van 2031 (basis-scenario) omvat dit:
-
- Spitstrein Rotterdam – Gouda Goverwelle
- 5e/6e IC Utrecht – Amersfoort
- 5e/6e IC Leiden – Den Haag Centraal
- Sprinter Gouda Goverwelle – Den Haag ook in dagdal
- Sprinter Uitgeest – Driebergen – Zeist ook in dagdal
- Toevoeging spitstreinen Alkmaar – Schagen
- Voor bus, tram, en metro gaan we voor het minder-scenario uit van de dienstregeling van 2023. Voor de basis- en meer-dienstregeling gaan we uit van de dienstregeling van 2025. De verbetering tussen 2023 en 2025 hebben we in het model vertaald door de wachttijd te verminderen. In het basis- en minder-scenario nemen we verder aan dat in VRA en MRDH de dienstregeling voor bus en tram versobert in verband met de BDU-korting (zie kader 5.1). In het meer-scenario gaan we ervan uit dat de BDU-korting niet wordt ingevoerd, en heeft deze daarom geen effect op de dienstregeling.
- Wegverkeer: We gebruiken hiervoor de uitgangspunten uit het MIRT-overzicht 2026. Dit betekent dat we ervan uit gaan dat de volgende projecten in 2031 zijn gerealiseerd:
Ramingsmethoden
- We maken toekomstramingen voor 2 verschillende zichtjaren:
- Het lopende jaar (2026, T),
- Een zichtjaar op de middellange termijn (2031, T+5). Dat is de middellange termijn-raming (MLT-raming).
- Voor het lopende jaar maken we gebruik van wat er “year-to-date” (ytd) gerealiseerd is. We vergelijken deze ytd-realisaties met de realisaties over dezelfde periode vorig jaar en kunnen zo een inschatting voor het lopende jaar maken. Daarbij houden we rekening met eenmalige verstoringen, bijvoorbeeld door grote sneeuwval of stakingen. Dit doen we bijvoorbeeld door verstoorde dagen, weken, of maanden niet mee te nemen bij het bepalen van de groei.
- Voor de MLT-raming (2031) voor wegverkeer en ov maken we gebruik van hiervoor ontwikkelde ramingen met het landelijk modelsysteem (LMS).
- Een verantwoording van de ramingen is te vinden in een rapport van 4Cast (2026).
- Het LMS raamt een gemiddelde werkdag. Wij ramen echter jaartotalen. We converteren de groeicijfers uit het LMS tot jaartotalen door deze modaliteits- en motief-specifiek toe te passen op de realisatiecijfers van ODiN 2023. We gebruiken dit jaar, omdat 2023 het basisjaar is van het LMS.
- Voor de raming van de fiets in 2031 maken we gebruik van een eigen model, gebaseerd op de trendmodellering van de CBS-verplaatsingsonderzoeken.
- Voor de MLT-raming goederenvervoer maken we gebruik van een hiervoor ontwikkelde raming met het goederenvervoermodel BasGoed (Rijkswaterstaat, 2026).
- Voor de MLT-raming luchtvaart maken we gebruik van de raming die met het luchtvaartmodel Aeolus gemaakt is voor de referentieprognose 2025, waarin ramingen worden gemaakt tot en met zichtjaar 2060 (Significance, 2025).
Overkoepelend beeld van enkele binnenlandse personenmodaliteiten
In deze paragraaf presenteren we de verwachte groei van het gebruik van verschillende binnenlandse personenmodaliteiten voor de periode 2025 tot en met 2031. Daarna worden de ramingen voor het wegverkeer, fiets, openbaar vervoer nader toegelicht.
- De met de auto afgelegde afstand op Nederlands grondgebied (de verkeersprestatie) stijgt in de basisraming in de periode 2025-2031 met 6% (figuur 1). In het minder-scenario is dit 1%, in het meer-scenario 9%. De onzekerheid ‘naar beneden’ is groter, omdat we rekening houden met een forse stijging van de brandstofkosten in het minder-scenario.
- In het openbaar vervoer zien we meer variatie. De onzekerheid is bij het openbaar vervoer groter dan bij het wegverkeer. Treingebruik groeit in alle scenario’s, variërend tussen 1% in het minder-scenario en 13% in het meer-scenario.
- Het btm-gebruik groeit tussen 2025 en 2031 in het basis-scenario met 5%. In het minder-scenario is echter sprake van een lichte krimp van 1%. In deze scenario’s hebben we de BDU-korting verwerkt in de uitgangspunten. Dit drukt het gebruik van het btm duidelijk naar beneden. In het meer-scenario groeit het gebruik van het btm met 10%.
- Voor de fiets hebben we alleen een basisraming gemaakt. Daarin stijgt het fietsgebruik de komende jaren met in totaal 6%.

Figuur 1 Geraamde groei in 2025-2031 van afgelegde afstand op Nederlands grondgebied van auto, trein, btm en fiets
Wegverkeer
Verwachtingen voor 2031
- In 2031 ramen we dat het verkeersvolume op het hoofdwegennet (HWN) in het basis-scenario 6,4% hoger is dan in 2025 (figuur 2). In het meer-scenario is de groei op het HWN ten opzichte van 2025 geraamd op 8,6%, in het minder-scenario op 1,4%. Voor de totale afstand die voertuigen afleggen op Nederlands grondgebied is de geraamde groei in 2031 iets groter: +7,2%, +9,6% en +1,2% voor respectievelijk het basis-, meer- en minder-scenario.
- De onzekerheid “omlaag”, die we met het minder-scenario beschrijven, is dus groter dan de onzekerheid “omhoog”. Dit wordt voor het wegverkeer met name veroorzaakt door onze aannames over de brandstof- en energieprijzen. Deze veronderstellen we in het minder-scenario duidelijk hoger dan in de andere scenario’s.
Verwachtingen voor 2026
- In de eerste 6 maanden van het jaar 2026 (januari tot en met juni) ligt de verkeersprestatie op het HWN 2,3% onder de verkeersprestatie in dezelfde maanden van 2025. Voor de resterende maanden gaan we uit van eenzelfde groeivoet, waarmee ook de jaar-op-jaar groei in 2026 ten opzichte van 2025 uitkomt op -2,3% (krimp).
- De groei verschilt wel fors per maand. Vooral in de maanden januari, april en mei lag de verkeersprestatie duidelijk onder het niveau van 2025. In de overige maanden was deze ongeveer even hoog als in 2025.
- Omdat we geen realisatiegegevens hebben voor het onderliggende wegennet gaan we voor het totale Nederlandse grondgebied uit van eenzelfde relatieve verandering als op het HWN.

Figuur 2 Ontwikkeling van de verkeersprestatie op Nederlands grondgebied, in totaal en op het hoofdwegennet (HWN)
De ontwikkeling van de voertuigverliesuren
- We ramen een toename van het aantal voertuigverliesuren tussen 2025 en 2031. In het basis-scenario gaat het om een toename van 29% (figuur 3). In het meer-scenario loopt dit op tot 40%, in het minder-scenario gaat het om 6%.
- Deze toenames zien we bij een relatief beperkte geraamde groei van het wegverkeer. Dit duidt erop dat het wegennet op de grenzen van zijn capaciteit zit.
- In de eerste 7 maanden van het jaar 2026 (januari tot en met juli) liggen de voertuigverliesuren nog onder het niveau van 2025. Het gaat om een afname van 3,6%. Ook hier zien we forse verschillen tussen de maanden: sommige zaten 14% onder het niveau van dezelfde maand een jaar terug (april); andere zaten hier juist 11% boven (juli). De raming voor het lopende jaar (2026) is daarmee behoorlijk onzeker.

Figuur 3 Ontwikkeling van de voertuigverliesuren op het hoofdwegennet
Een uitsplitsing naar personen- en vrachtverkeerEen uitsplitsing naar personen- en vrachtverkeer
- We hebben de ramingen voor de totale verkeersprestatie op de weg uitgesplitst naar voertuigsoort. Daarvoor hebben we het personenverkeer, het bestelverkeer, en het zware vrachtverkeer van elkaar onderscheiden. Voor het personenverkeer maken we gebruik van 3 scenario’s, voor het goederenvervoer (bestel- en vrachtwagens) van 1 scenario.
- Het personenverkeer groeit harder dan het vrachtverkeer. In het basis-scenario gaat het om 7% groei van het personenverkeer tegen 3% groei van zowel het bestelautoverkeer als het vrachtverkeer in 2031 ten opzichte van 2025.
Methode en onzekerheden
- Voor de raming van 2026 maken we gebruik van data over gerealiseerde ontwikkelingen op het hoofdwegennet tot en met juli 2026, die we van Rijkswaterstaat hebben ontvangen. We extrapoleren deze gegevens naar de resterende maanden van 2026. We gaan er voor het totale wegennet vanuit dat deze evenredig meegroeit.

Figuur 4 Ontwikkeling van de verkeersprestatie op Nederlands grondgebied, uitgesplitst naar voertuigsoort
Fiets
Verwachtingen voor 2031
- Voor 2031 verwachten we dat het fietsgebruik (gemeten in afgelegde afstand per fiets) 6% hoger is dan in 2025, het laatste jaar waarvoor een waarneming beschikbaar is (figuur 5). Het gebruik van de elektrische fiets neemt in die periode naar verwachting toe met ongeveer 35%.
Verwachtingen voor 2026
- Voor 2026 verwachten we een kleine daling van het fietsgebruik met 3%. Deze daling zien we in de realisatiecijfers tot en met week 37 van 2026. We hebben geen aparte raming voor de ontwikkeling van het gebruik van de e-fiets.
Methode en onzekerheden
- Voor de raming van het totale fietsgebruik in 2031 maken we gebruik van een eigen model, gebaseerd op de trendmodellering van de CBS-verplaatsingsonderzoeken. 5
- Voor de raming van het fietsgebruik in 2026 maken we gebruik van monitordata voor de eerste 37 weken van 2026. Deze data zijn afkomstig uit het Nederlands Verplaatsingspanel dat is bewerkt door het DME-team van het ministerie van IenW.

Figuur 5 Ontwikkeling van het gebruik op Nederlands grondgebied van de fiets, onderscheiden naar totaal fiets, gewone fiets en elektrische fiets
Openbaar vervoer
Verwachtingen voor 2031
- Voor de trein verwachten we dat reizigers in 2031 in het basis-scenario 6% meer afstand afleggen in vergelijking met 2025 (figuur 6). In het minder-scenario is de raming voor het treingebruik ruim 1% hoger dan in 2025. In het meer-scenario ramen we het treingebruik 13% hoger dan in 2025.
- Voor bus, tram en metro (btm) verwachten we dat reizigers in het basis-scenario in 2031 5% meer afstand afleggen dan in 2025 (figuur 6). In het minder-scenario is het btm-gebruik in 2031 juist 1% lager dan in 2025. In het meer-scenario is het gebruik van btm in 2031 10% hoger dan in 2025.
- In de raming is rekening gehouden met de bezuiniging op de BDU die de VRA en MRDH treft (zie kader Tarieven en dienstregeling in het openbaar vervoer). Deze bezuiniging hebben we verwerkt als een tariefstijging van bijna 9% voor bus, tram en metro en een versobering van de dienstregeling met 8,5% voor bus en tram in VRA en MRDH. Dit geldt voor zowel het minder- als het basis-scenario.
- We zien dit terug in een behoorlijk optimistischer raming van het btm-gebruik in het meer-scenario. Het is daarbij niet precies na te gaan welk deel van de hogere raming samenhangt met de BDU-korting, omdat het meer-scenario in meerdere opzichten optimistischer is, zoals in de bevolkingsomvang en de inkomens.
Verwachtingen voor 2026
- We zien dat het aantal instappers in het openbaar vervoer (trein en btm) in 2026 tot en met 19 juli licht is gegroeid ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar (bron: Translink open data). Het gaat om een stijging van 2,6%.
- In zowel 2025 als 2026 was er sprake van een aantal incidentele gebeurtenissen die invloed hadden op de realisatiereeks: onder andere de NAVO-top in 2025, landelijke ov-stakingen en sneeuwdagen maken dat het zuiver vergelijken van de realisaties in 2025 en in 2026 ingewikkeld is. De ontwikkeling in de tweede helft van 2026 ten opzichte van 2025 laat zich dan ook lastig voorspellen. We houden daarom vast aan een ingeschatte groei van 2,6%, maar geven wel mee dat deze raming onzeker is.
Methode en onzekerheden
- De ramingen voor de middellange termijn voor het ov-gebruik zijn opgesteld met behulp van het Landelijk Modelsysteem (LMS). De uitkomsten van het LMS konden echter niet zonder meer gebruikt worden en zijn bijgesteld.6
- Trein: De LMS-raming voor het treingebruik in 2031 wordt sterk beïnvloed door het opleidingsniveau. Het LMS is een langetermijnmodel. Op de middellange termijn veronderstellen wij dat de invloed van een hoger opleidingsniveau veel minder groot is. Wij hebben hiervoor de LMS-uitkomsten gecorrigeerd door het veronderstelde effect van het verhoogde opleidingsniveau niet mee te nemen in onze raming.
- Bus, tram en metro: het basisjaar van het LMS is gekalibreerd op 2023. De onderliggende gedragsparameters zijn echter afgeleid op basis van gedrag dat is waargenomen in de jaren 2023 én 2024. In de realisatiecijfers zien we een forse groei tussen 2023 en 2024, mede veroorzaakt door een structurele verandering in het reisgedrag. Deze verandering zit dus wel deels in de gedragsparameters, maar niet in de niveaus van het basisjaar. Daarom hebben we de ramingen naar boven bijgesteld.
- Voor de raming van 2026 maken we gebruik van de realisaties over het lopende jaar 2026, tot en met juli. Deze baseren we op gegevens van TransLink.

Luchtvaart
Verwachtingen voor 2031
- Naar verwachting groeit het aantal passagiers op Nederlandse luchthavens naar een kleine 93 miljoen in 2031 (figuur 7). Dat is een toename van 19,0% in vergelijking met 2025.
- Daarvan zullen in 2031 naar verwachting een kleine 81 miljoen passagiers via Schiphol reizen (18,3% meer dan in 2025) en bijna 12 miljoen via de regionale luchthavens (23,6% meer dan in 2025).
- De luchthavens kennen een plafond op het aantal vluchten.7 Voor Schiphol, Eindhoven en Rotterdam-Den Haag zijn deze capaciteitsplafonds beperkend. De groei van het aantal passagiers op deze luchthavens komt daarmee na 2025 vrijwel volledig door een groei van het aantal passagiers per vlucht. Die groei ontstaat zowel dankzij grotere vliegtuigen met meer stoelen, als meer stoelen in bestaande toestellen en een hogere bezettingsgraad (gebruikte stoelen/beschikbare stoelen).
Verwachtingen voor 2026
- Tot en met augustus 2026 was het aantal passagiers op Schiphol iets lager dan in dezelfde periode in 2025, namelijk ongeveer 0,1%. Op de andere Nederlandse luchthavens laten de realisaties tot en met augustus 2026 een groei van het aantal passagiers zien ten opzichte van dezelfde periode in 2025 van 3,2%. Het aantal vluchten tot en met augustus 2026 laat een daling zien op Schiphol van 3,5% en stijging van het aantal vluchten van 0,3% op de andere Nederlandse luchthavens. Het verschil in het aantal vluchten op Schiphol in 2026 ten opzichte van 2025 is met name groot in januari en februari. In deze maanden zijn er veel vluchten geannuleerd (CBS, 2026d; NOS, 2026).
- In de periode maart tot en met augustus 2026 was op Schiphol het aantal passagiers 1,3% hoger dan in dezelfde periode in 2025 en het aantal vluchten 1,9% lager. Ook in deze periode is het aantal vluchten op Schiphol lager dan in dezelfde periode in 2025 door de oorlog in het Midden-Oosten (CBS, 2026d). Op de andere Nederlandse luchthavens is een groei van het aantal passagiers te zien in deze periode ten opzichte van 2025 van 2,8%, terwijl het aantal vluchten licht daalde met 0,4%.
- Op basis hiervan ramen we dat het totaal aantal passagiers op Nederlandse luchthavens in 2026 uitkomt op bijna 79 miljoen passagiers, waarvan 69 miljoen op Schiphol en bijna 10 miljoen op regionale luchthavens. Dit betekent een groei in het aantal passagiers op Nederlandse luchthavens van 0,7% ten opzichte van 2025. Voor Schiphol is de groei 0,4% en voor de regionale luchthavens is de groei 2,8%.
- We ramen dat het totaal aantal vluchten op Nederlandse luchthavens in 2026 uitkomt op circa 527.000 (-2,6% ten opzichte van 2025), waarvan ruim 463.000 op Schiphol (-3,0% ten opzichte van 2025) en ruim 63.000 op regionale luchthavens (-0,3% ten opzichte van 2025).
Methode en onzekerheden
- De raming voor 2026 is gebaseerd op realisatie van het aantal passagiers tot en met augustus en een extrapolatie daarvan voor de laatste maanden van 2026 (CBS, 2026b). Hierbij zijn, door het hoge aantal annuleringen op Schiphol in januari en februari door het winterse weer, de realisaties van maart tot en met augustus gebruikt voor de extrapolatie voor de laatste maanden van 2026. Voor Rotterdam-Den Haag geeft dit een lichte overschrijding van het maximum toegestane aantal vluchten van 18.000. De raming voor deze luchthaven is, om aan dit plafond te voldoen, voor zowel het aantal vluchten als het aantal passagiers licht bijgesteld.
- Bij de toekomstverwachting voor 2031 is gebruik gemaakt van modelberekeningen die met het AEOLUS-model zijn gedaan voor de Referentieprognose 2025 (Significance, 2025). Deze zijn gebaseerd op de WLO 2025 (PBL, 2025), waarbij rekening is gehouden met enkele nieuwe beleidsuitgangspunten. Zo is in de Referentieprognose rekening gehouden met plafonds op het aantal vluchten op de luchthavens (zie voetnoot 7), is sprake van de introductie van een afstandsafhankelijke vliegbelasting in 2027, en gaat Luchthaven Lelystad niet open.
- De Referentieprognose 2025 kent 2 scenario’s: een hoog en een laag scenario. Om tot ons basis-scenario te komen voor deze middellangetermijnprognose hebben we deze 2 scenario’s gemiddeld, met daarbij oog voor de capaciteitsrestricties op luchthavens. In een ongerestricteerd scenario, dus zonder plafond op het aantal vluchten, ligt in 2031 het aantal vluchten op Schiphol, Eindhoven, en Rotterdam-Den Haag in zowel het hoge als lage scenario hoger dan het plafond. Dit betekent dat in het basis-scenario de plafonds in 2031 beperkend zijn en het aantal vluchten dat jaar gelijk is aan de plafonds. Om het verwachte aantal passagiers te bepalen is het gemiddelde genomen van het aantal passagiers per vlucht in het hoge gerestricteerde scenario en in het lage gerestricteerde scenario, en is dit gemiddelde vermenigvuldigd met het aantal vluchten.

Figuur 7 Ontwikkeling van het aantal aankomende en vertrekkende passagiers (boven, in miljoen reizigersbewegingen) en het aantal vluchten (onder, in duizenden vluchten) op Nederlandse luchthavens van nationaal belang
Goederenvervoer
Verwachtingen voor 2031
- Voor de middellange termijn verwachten we dat in 2031 het vervoerd gewicht op Nederlands grondgebied ongeveer gelijk is aan dat in 2025, het laatste jaar waarvoor realisaties beschikbaar zijn (figuur 8). Het binnenlands vervoerd gewicht neemt toe met 2,9% en het internationale vervoerd gewicht neemt af met 1,7%.
- De vervoersprestatie op Nederlands grondgebied van het goederenvervoer (totaal van wegvervoer, binnenvaart en spoorvervoer) is naar verwachting ongeveer 5,2% lager dan in 2025.
- Het spoorgoederenvervoer krimpt in de periode 2025-2031 naar verwachting met 5,7%. De vervoersprestaties van het wegvervoer en de binnenvaart nemen in die periode af met 0,5% en 11,1% respectievelijk.
- De verwachte toename van het binnenlands vervoerd gewicht en de verwachte afname van de vervoersprestatie op Nederlands grondgebied impliceren dat de gemiddelde afstand op Nederlands grondgebied waarover het gewicht wordt vervoerd gaat afnemen. Dat gebeurt vooral bij het wegvervoer omdat spoorvervoer en binnenvaart voor het grootste deel internationale transporten betreffen.
- Voor de toekomst wordt met het model BasGoed een daling in zowel het vervoerd gewicht als de vervoersprestatie geraamd. Het algehele beeld is daarmee dat het goederenvervoer gaat krimpen. Ten opzichte van de ramingen van 2026 zien we richting 2031 een jaarlijkse daling van gemiddeld 0,3% en 0,6% voor respectievelijk het vervoerd gewicht en de vervoersprestatie. Bij de interpretatie van de ramingen is het belangrijk om rekening te houden met enige onzekerheid (zie kader Onzekerheid in ramingen voor de korte en middellange termijn).
- Een belangrijke onderliggende ontwikkeling is de verschuiving van het vervoer van droge bulk (onder andere kolen en ertsen) en vloeibare bulk (onder andere aardolie(producten)) naar het vervoer van containers. Zo neemt in de ramingen het vervoerd gewicht per container (binnenlands en internationaal) in de jaren tot 2031 naar verwachting toe met 0,9% per jaar, terwijl het totaal vervoerd gewicht met 0,3% per jaar krimpt. Het vervoerd gewicht van kolen en ertsen neemt naar verwachting met 5,5% per jaar af en voor het vervoer van aardolie(producten) is de afname 1,0% per jaar. Deze verschuiving betekent dat een krimp van het vervoerde gewicht niet per se ook een krimp van het aantal vervoersbewegingen betekent.
Verwachtingen voor 2026
- We verwachten dat in 2026 het totaal vervoerde gewicht met 1,4% stijgt ten opzichte van 2025 (figuur 8). Zowel het binnenlands als het internationale vervoerd gewicht neemt toe, met 1,5% en 1,4%, respectievelijk.
- Er is een toename in het vervoerde gewicht voor het wegvervoer (+1,6%), de luchtvracht (+10,2%), en de zeehavenoverslag8 (+4,5%). Bij spoorgoederenvervoer (-2,3%) en de binnenvaart (-3,8%) is er een afname.
- De vervoersprestatie op Nederlands grondgebied laat in 2026 een daling zien van 2,3% ten opzichte van 2025. Er is daarnaast een verschuiving in de modal split: het aandeel wegvervoer en spoorgoederenvervoer stijgt met 2,1%-punt en 0,1%-punt, respectievelijk, ten koste van een daling van het aandeel binnenvaart van 2,2%-punt.
- In de maanden juli, augustus en september van 2026 was het effect van lage waterstanden op de binnenvaart duidelijk zichtbaar (CBS, 2026a; CBS, 2026c). Het vervoerd gewicht was in juli, augustus en september, respectievelijk, 9%, 19% en 16% lager dan in dezelfde maanden in 2025. In de overige maanden van 2026 (januari tot en met juni) was wel een stijging van het vervoerde gewicht van 6,3%. Op basis hiervan ramen we het vervoerd gewicht in 2026 op 320 miljoen ton, een afname van 3,8%.
Methode en onzekerheden
- De verwachtingen voor het goederenvervoer voor het lopende jaar 2026 baseren we op de gegevens die begin oktober 2026 beschikbaar waren. Het gaat om:
- Het dashboard van snelle indicatoren goederenvervoer (CBS, 2026d). Het CBS heeft in het voorjaar van 2020 een dashboard met snelle indicatoren goederenvervoer opgesteld, die wekelijks geactualiseerd worden. Daardoor is inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de vervoersbewegingen, het overgeslagen en vervoerde gewicht en de vervoersprestatie van de verschillende vervoerwijzen.
- De CBS-statistiek over de binnenvaart (CBS, 2026a).
- De CBS-statistiek over de luchtvracht (CBS, 2026b).
- Voor de raming voor 2026 extrapoleren we de laatste maanden van 2026 op basis van de beschikbare data van 2026. Voor binnenvaart vergelijken we de ontwikkeling van 2026 met 2018 in plaats van 2025. In 2018 was er ook sprake van laag water, waardoor we deze ontwikkeling representatiever achten vergeleken dan 2025. Voor de raming van en oktober zijn de realisaties van juli tot en met september gebruikt (periode met lage waterstanden). Voor de raming van november en december zijn de realisaties van januari tot en met juni gebruikt.
- We baseren de verwachting voor het goederenvervoer voor 2031 voor alle stromen behalve luchtvracht, op de jaarlijkse groeiverwachting die het model BasGoed genereerde in de MLT-raming van 28 april 2026 voor de periode 2018-2031 (RWS, 2026). Deze groeiverwachting is toegepast op de raming voor 2026 per vervoerwijze en goederenstroom. De aannames, uitgangspunten en modelinstellingen zijn uiteengezet in RWS (2026).
- Voor de luchtvrachtraming voor 2031 baseren we ons op de verwachte groei volgens het AEOLUS-model (zie onder Luchtvaart). Deze groei is toegepast op de verwachting voor 2026. Luchtvracht omvat minder dan 0,1% van het totale vervoerde gewicht.

Figuur 8 Ontwikkeling op Nederlands grondgebied van het goederenvervoer (boven, in miljoen ton), onderscheiden naar binnenlands, internationaal en totaal vervoer, en per vervoerwijze (onder, in miljard tonkm)

Figuur 9 Realisatie en raming van het totaal vervoerd gewicht
Voetnoten en referenties
1. Voor luchtvaart en goederenvervoer heeft dit te maken met het feit dat we alleen voor het basis-scenario een cijferbeeld tot onze beschikking hebben. Voor de fiets is gebleken dat verschillen tussen de scenario’s klein zijn waardoor het laten zien van verschillende scenario’s geen meerwaarde heeft.
2. De plafonds zijn als volgt: 478.000 voor Schiphol, 40.500 voor Eindhoven in 2026 en 2027 en daarna 41.500, 18.000 voor Rotterdam-Den Haag, 19.000 voor Maastricht Aachen, en 6.910 voor Groningen Eelde.
3. De CEP26 is gepubliceerd in maart 2026 en bevat ramingen t/m 2031. De cMEV27 is gepubliceerd in augustus 2027 en bevat nieuwe ramingen voor 2026 en 2027. De Macro Economische Verkenning 2027 (MEV27) (CPB, 2026c) verscheen op Prinsjesdag 2026 en was daarmee te laat om mee te nemen in onze ramingen. De MEV27 leidt tot beperkte aanpassingen in het budgettaire en economische beeld ten opzichte van de cMEV27 van augustus.
4 DCO staat voor Driver Controlled Operation. Dit betekent dat de machinist alle essentiële taken uitvoert, waaronder het sluiten van de deuren. Hierdoor wordt tijdswinst behaald in het vertrekproces.
5 Zie de bijlage voor een beschrijving van het model.
6 De uitkomsten die we presenteren moeten daarom met de nodige voorzichtigheid worden bekeken. Er is sprake van groter dan gebruikelijke onzekerheidsmarges.
7 De plafonds in 2031 zijn 478.000 voor Schiphol, 41.500 voor Eindhoven, 6.910 voor Groningen-Eelde, 19.000 voor Maastricht Aachen, en 18.000 voor Rotterdam-Den Haag. Hiermee komt het maximumaantal vluchten van Nederlandse vliegvelden uit op 563.410.
8 De sluiting van de Straat van Hormuz heeft niet geleid tot een daling van de zeehavenoverslag in Nederland, maar juist tot een stijging. Door de afname van de olie(producten) die via de Straat van Hormuz worden vervoerd, zijn er meer olie(producten) geïmporteerd vanuit andere delen van de wereld. Hierdoor steeg de overslag van olie(producten) in de Haven van Rotterdam met 4,7% (Port of Rotterdam, 2026).
9 Voor de binnenvaart vergelijken we de ontwikkeling met 2018 in verband met de lage waterstanden.
4Cast (2026). Mobiliteitsprognoses voor het Toekomstbeeld KiM 2026. Leiden: 4cast. Te vinden via: https://open.rijkswaterstaat.nl/
CBS (2025). Kernprognose 2025-2070: 20,6 miljoen inwoners verwacht in 2070. Geraadpleegd op 15 oktober 2026 via https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2025/kernprognose-2025-2070-20-6-miljoen-inwoners-verwacht-in-2070.
CBS (2026a). CBS statline, Binnenvaart; goederenvervoer, vervoerstroom, soort lading. Geraadpleegd op 13 oktober 2026. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85528NED/table?ts=1788965308142.
CBS (2026b). CBS statline, Luchtvaart; maandcijfers Nederlandse luchthavens van nationaal belang. Geraadpleegd op 30 september 2026. https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/37478hvv/table?ts=1705584849251.
CBS (2026c). Goederenvervoer binnenvaart in augustus bijna 19 procent lager door droogte. Geraadpleegd op 9 september 2026. https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2026/37/goederenvervoer-binnenvaart-in-augustus-bijna-19-procent-lager-door-droogte.
CBS (2026d). Minder luchtvaartpassagiers eerste kwartaal door winters weer en oorlog Midden-Oosten. Geraadpleegd op 9 september 2026. https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2026/21/minder-luchtvaartpassagiers-eerste-kwartaal-door-winters-weer-en-oorlog-midden-oosten.
CBS (2026e). Tabellen snelle indicatoren goederenvervoer. Geraadpleegd op 9 september 2026. https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2020/22/tabellen-snelle-indicatoren-goederenvervoer.
CPB (2026a). Centraal Economisch Plan (CEP) 2026. Den Haag: Centraal Planbureau.
CPB (2026b). Concept-Macro Economische Verkenning (cMEV) 2027. Den Haag: Centraal Planbureau.
CPB (2026c). Macro Economische Verkenning (MEV) 2027. Den Haag: Centraal Planbureau.
CROW (2025). Staat van het openbaar vervoer 2024. https://www.staatvanhetov.nl/mosaic/staat-van-het-ov/.
CROW (2026). Staat van het openbaar vervoer 2025. https://www.staatvanhetov.nl/mosaic/staat-van-het-ov/.
FIN (2026). Miljoenennota 2027 (Kamerstuk 37 020, nr. 1). Den Haag: Ministerie van Financiën. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2026/09/15/miljoenennota-2027.
IenW (2025a). Besluit tot wijziging van de Concessie voor het Hoofdrailnet 2025-2030 in verband met de stijging van de NS-tarieven in 2025-2029. IENW/BSK-2025/262863.
IenW (2025b). Kamerbrief over gevolgen lagere vergoeding Studenten OV-reisproduct (SOV) voor BDU en financiële situatie NS. IENW/BSK-2025/73056. Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
IenW (2025c). MIRT overzicht 2026. Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. https://open.overheid.nl/documenten/3f628b3d-1389-4d2d-b37a-5853a52a9f08/file.
NOS (2026). Schiphol annuleert groot aantal vluchten vanwege sneeuw. Geraadpleegd op 9 september 2026. https://nos.nl/artikel/2602468-schiphol-annuleert-groot-aantal-vluchten-vanwege-sneeuw.
OCW (2026). Referentieraming OCW 2026. Den Haag: Ministerie Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
PBL (2025). Toekomstverkenning WLO. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving & Centraal Planbureau.
Port of Rotterdam (2026). Rotterdamse haven blijft veerkrachtig in onzekere wereld. Geraadpleegd op 2 oktober 2026. https://www.portofrotterdam.com/nl/nieuws-en-persberichten/rotterdamse-haven-blijft-veerkrachtig-onzekere-wereld.
Rijksoverheid (2026). Minister Karremans streeft naar opening Lelystad Airport in oktober 2027. Geraadpleegd op 28 september 2026. https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2026/04/17/minister-karremans-streeft-naar-opening-lelystad-airport-in-oktober-2027.
Rijksoverheid (n.d.). Plannen kabinet voor belasting op brandstof, vliegbelasting en reiskostenvergoeding. Geraadpleegd op 28 september 2026. https://www.rijksoverheid.nl/themas/belastingen-uitkeringen-en-toeslagen/belastingplan/plannen-kabinet-voor-belasting-op-brandstof-vliegbelasting-en-reiskostenvergoeding.
Rijkswaterstaat (2025). Referentieprognoses 2025. Geraadpleegd op 14 oktober 2026. https://open.rijkswaterstaat.nl/zoeken/@296904/referentieprognoses-2025-nrm-lms/
Rijkswaterstaat (2026). Rapportage resultaten prognoses 2023 en MLT 2031-2023. Versie 0.2, 28 april 2026. Den Haag: Rijkswaterstaat. Te verkrijgen via https://www.basgoed.nl/publicaties/.
Significance (2025). AEOLUS luchtvaartreferentieprognoses 2025. Den Haag: Significance.
Tweede Kamer (2026). Lijst van vragen en antwoorden over de brief van de informateur mw. R.M. Letschert ter aanbieding van het coalitieakkoord 2026-2030 ‘Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland’ (Kamerstuk 36848, nr. 55). Den Haag: Tweede Kamer der Staten-Generaal.
